homoniem
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord homoˈnimBetekenis
- een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken en/of geschreven als een ander woord – al dan niet van dezelfde woordsoort – maar daarmee in betekenis verschilt
- een wetenschappelijke naam met dezelfde spelling (dus bestaande uit dezelfde letters) als een andere wetenschappelijke naam, maar met een ander type (niet te verwarren met een isoniem)
- gelijk in uitspraak maar verschillend in betekenis
Hoe spreek je homoniem uit?
/homoˈnim/
Homoniem bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| m | maan |
| n | nek |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| homoniemen | meervoud |
| homoniempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| homoniempjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gelijkluidend woord met verschillende betekenissen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van homoniem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| homonieme | woordvorm | homoniem |
| homoniemen | meervoud | homoniem |
| homoniempje | verkleinwoord | homoniem |
| homoniempjes | verkleinwoord meervoud | homoniem |
| homoniems | woordvorm | homoniem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van homoniem zijn vastgelegd.