rieken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een sterke geur of stank verspreiden
werkwoord
- een sterke, meestal onaangename geur en/of stank verspreiden unergative
Vervoeging van rieken
riekenhele werkwoord — rookverleden tijd enkelvoud — rokenverleden tijd meervoud — gerokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | riek | rook |
| jij | riekt | rook |
| hij, zij, het | riekt | rook |
| wij | rieken | roken |
| jullie | rieken | roken |
| zij | rieken | roken |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geroken | verleden tijd, deelwoord |
| geroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| riek | gebiedende wijs |
| rieke | aanvoegende wijs |
| riekend | onvoltooid, deelwoord |
| rook | verleden tijd |
| te hebben geroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rieken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord riek
Herkomst
In de betekenis van ‘een geur geven of opnemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van rieken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rieke | aanvoegende wijs | rieken |
| riekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rieken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rieken zijn vastgelegd.