omzetten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɔm.zɛ.tə(n)/Betekenis
- van plaats doen verwisselen
- (m.b.t. geld) verwisselen met een andere geldwaarde
- veranderen
- om iets of iemand heenzetten
Hoe spreek je omzetten uit?
/ˈɔmzɛtən/
Omzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- : van plaats doen verwisselen transitive
- : (m.b.t. geld) verwisselen met een andere geldwaarde transitive
- : veranderen transitive
Vervoeging van omzetten
omzettenhele werkwoord — omzetteverleden tijd enkelvoud — zetten omverleden tijd meervoud — omgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | omzet | omzette |
| jij | omzet | omzette |
| hij, zij, het | omzet | omzette |
| wij | zetten om | zetten om |
| jullie | zetten om | zetten om |
| zij | zetten om | zetten om |
Alle 264 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is omzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was omzet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd omzet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt omzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal omzet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omzet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou omzet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omzet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben omzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| om zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| om zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| omgezet | verleden tijd, deelwoord |
| omgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet | gebiedende wijs |
| omzet | verleden tijd, deelwoord |
| omzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omzet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omzet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omzet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omzet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omzet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzette | aanvoegende wijs |
| omzette | bijzin, verleden tijd |
| omzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben omzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te omzetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werdt omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| word omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| wordt omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
werkwoord
- : om iets of iemand heenzetten transitive
Vervoeging van omzetten
omzettenhele werkwoord — omzetteverleden tijd enkelvoud — zetten omverleden tijd meervoud — omgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | omzet | omzette |
| jij | omzet | omzette |
| hij, zij, het | omzet | omzette |
| wij | zetten om | zetten om |
| jullie | zetten om | zetten om |
| zij | zetten om | zetten om |
Alle 264 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is omzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was omzet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd omzet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt omzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal omzet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omzet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou omzet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omzet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben omzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| om zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| om zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| omgezet | verleden tijd, deelwoord |
| omgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet | gebiedende wijs |
| omzet | verleden tijd, deelwoord |
| omzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omzet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omzet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omzet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omzet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omzet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omzet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzette | verleden tijd |
| omzette | aanvoegende wijs |
| omzette | bijzin, verleden tijd |
| omzettend | onvoltooid, deelwoord |
| omzétten | canonical |
| te hebben omgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben omzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te omzetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werdt omzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| word omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| wordt omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omzet
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van omzetten
- meervoud verleden tijd van omzetten
Vervoeging van omzetten
omzettenhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van om en zetten
Woordfamilie van omzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgezet | voltooid deelwoord | omzetten |
| omgezette | woordvorm | omzetten |
| omzette | subordinate-clause, verleden tijd | omzetten |
| omzettend | onvoltooid deelwoord | omzetten |
| omzettende | woordvorm | omzetten |
| zet om | gebiedende wijs | omzetten |
| zette om | verleden tijd | omzetten |
| zetten om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omzetten zijn vastgelegd.