verplaatsen
werkwoord /vər'plaːʦə(n)/Betekenis
- iets van de ene plaats naar de andere brengen
- zich ~ van de ene naar de andere plaats gaan
Hoe spreek je verplaatsen uit?
/vərˈplaʦən/
Verplaatsen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verplaatsen
verplaatsenhele werkwoord — verplaatsteverleden tijd enkelvoud — verplaatstenverleden tijd meervoud — verplaatstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verplaats | verplaatste |
| jij | verplaatst | verplaatste |
| hij, zij, het | verplaatst | verplaatste |
| wij | verplaatsen | verplaatsten |
| jullie | verplaatsen | verplaatsten |
| zij | verplaatsen | verplaatsten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verplaatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verplaatst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verplaatst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verplaatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verplaatst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verplaatst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verplaatst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verplaatst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verplaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verplaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verplaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verplaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verplaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verplaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verplaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verplaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verplaats | gebiedende wijs |
| verplaats me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verplaats u/je , verplaatst je | gebiedende wijs |
| verplaatse | aanvoegende wijs |
| verplaatse zich | aanvoegende wijs |
| verplaatsen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verplaatsen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verplaatsen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verplaatsend | onvoltooid, deelwoord |
| verplaatst | verleden tijd, deelwoord |
| verplaatst je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verplaatst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verplaatst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verplaatst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verplaatst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verplaatst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verplaatst u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verplaatst u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verplaatst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verplaatst zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verplaatst zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verplaatst zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verplaatst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verplaatst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verplaatst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verplaatst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verplaatste | verleden tijd |
| verplaatste je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verplaatste me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verplaatste u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verplaatste u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verplaatste zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verplaatste zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verplaatste zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verplaatsten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verplaatsten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verplaatsten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verplaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verplaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verplaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verplaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verplaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verplaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verplaatsen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verplaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verplaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verplaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verplaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verplaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verplaatsen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verplaatsen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verplaatsend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verplaatst hebben | verleden tijd |
| zijn verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verplaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verplaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verplaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verplaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verplaatsen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verplaatsen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verplaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verplaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van plaatsen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verplaatsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verplaats | gebiedende wijs | verplaatsen |
| verplaatse | aanvoegende wijs | verplaatsen |
| verplaatsend | onvoltooid deelwoord | verplaatsen |
| verplaatsende | woordvorm | verplaatsen |
| verplaatst | voltooid deelwoord | verplaatsen |
| verplaatste | verleden tijd | verplaatsen |
| verplaatsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verplaatsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verplaatsen zijn vastgelegd.