nemen
werkwoord /ˈne.mə(n)/Betekenis
- iets vastpakken met de handen
- veroveren
- gebruik maken van
Hoe spreek je nemen uit?
/ˈnemən/
Nemen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- gebruikmaken van
Vervoeging van nemen
nemenhele werkwoord — namverleden tijd enkelvoud — namenverleden tijd meervoud — genomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | neem | nam |
| jij | neemt | naamt |
| hij, zij, het | neemt | nam |
| wij | nemen | namen |
| jullie | nemen | namen |
| zij | nemen | namen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genomen | verleden tijd, deelwoord |
| genomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nam | verleden tijd |
| neem | gebiedende wijs |
| neme | aanvoegende wijs |
| nemend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘grijpen, gebruiken’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van nemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naamt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | nemen |
| nam | verleden tijd | nemen |
| neemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nemen |
| neme | aanvoegende wijs | nemen |
| nemend | onvoltooid deelwoord | nemen |
| nemende | woordvorm | nemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nemen zijn vastgelegd.