franchisenemer
zelfstandig naamwoord ˈfrɛntʃɑjsˌnemərBetekenis
- een ondernemer die een contract sluit met de eigenaar van een handelsnaam (de franchisegever) en zo het recht heeft om tegen betaling een zaak met die handelsnaam te exploiteren
Hoe spreek je franchisenemer uit?
/ˈfrɛntʃɑjsˌnemər/
Franchisenemer bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɑ | bad |
| j | ja |
| s | sok |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| franchisenemers | meervoud |
Herkomst
Samenstellende afleiding van franchise en de stam van nemen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van franchisenemer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| franchisenemers | meervoud | franchisenemer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van franchisenemer zijn vastgelegd.