na
bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel, bijwoord naBetekenis
- dichtbij staand.
- Ik proef in 't zuivre morgenlicht
- Als een nog woordeloos gedicht
- Uw naë afwezigheid — Boutens
- verwant
- nakijken: hij keek het huiswerk na
- erna: hij heeft er weinig na weten te bereiken.
- te ~ te dicht erbij, te veel in iemands vaarwater.
- naar
- aan, met, in
- en
- naar; in de richting van
- op; aan de bovenkant aanrakend, rustend op
- op; geeft een beweging aan naar oppervlak
- voor
- dichtbij
- te
- volk
- op; met gebruik van
- in; gedurende, tijdens
- in
- aan
- in; iets dat iets anders bevat
Hoe spreek je na uit?
/na/
Na bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
bijvoeglijk naamwoord
- dichtbij staand
- bewegend (in: schwa na)
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
voorzetsel
- in tijd volgend op
- later komend in de bewegingsrichting
- later in tijd
- later in volgorde
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- te ~ te dicht erbij, te veel in iemands vaarwater
Herkomst
In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van na
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| na's | partitive, positive | na |
| naë | verbogen vorm | na |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van na zijn vastgelegd.