nachecken
werkwoord ˈnatʃɛkə(n)Betekenis
- ter controle nog een keer bekijken
Hoe spreek je nachecken uit?
/ˈnatʃɛkən/
Nachecken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van nachecken
nacheckenhele werkwoord — checkte naverleden tijd enkelvoud — checkten naverleden tijd meervoud — nagechecktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | check na | checkte na |
| jij | checkt na | checkte na |
| hij, zij, het | checkt na | checkte na |
| wij | checken na | checkten na |
| jullie | checken na | checkten na |
| zij | checken na | checkten na |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| check na | gebiedende wijs |
| checkte na | verleden tijd |
| er is nagecheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagecheckt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagecheckt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagecheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagecheckt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagecheckt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagecheckt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagecheckt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagecheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te checken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen checken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal checken | bijzin, toekomende tijd |
| na zou checken | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden checken | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt checken | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen checken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen checken | bijzin, toekomende tijd |
| na zult checken | bijzin, toekomende tijd |
| nacheck | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nacheckend | onvoltooid, deelwoord |
| nacheckt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nacheckte | bijzin, verleden tijd |
| nacheckten | bijzin, verleden tijd |
| nagecheckt | verleden tijd, deelwoord |
| nagecheckt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagecheckt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagecheckt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagecheckt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagecheckt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagecheckt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagecheckt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagecheckt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagecheckt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagecheckt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben nagecheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nachecken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was nagecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was nagecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt nagecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nachecken | bijzin, toekomende tijd |
| zal nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt nagecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nachecken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) nachecken na zou(dt) checken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nachecken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nachecken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen nachecken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nachecken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult nachecken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van na bw en checken ww
Woordfamilie van nachecken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| check na | gebiedende wijs | nachecken |
| checke na | woordvorm | nachecken |
| checken na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nachecken |
| checkt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nachecken |
| checkte na | verleden tijd | nachecken |
| checkten na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nachecken |
| nacheck | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nachecken |
| nachecke | with-subordinate-clause | nachecken |
| nacheckend | onvoltooid deelwoord | nachecken |
| nacheckende | woordvorm | nachecken |
| nacheckt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nachecken |
| nacheckte | subordinate-clause, verleden tijd | nachecken |
| nacheckten | subordinate-clause, verleden tijd | nachecken |
| nagecheckt | voltooid deelwoord | nachecken |
| nagecheckte | woordvorm | nachecken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nachecken zijn vastgelegd.