Naar de inhoud

nabespreken

na afloop bespreken, evalueren (het achteraf beoordelen van wat goed en wat slecht gegaan is om het in de toekomst beter te doen)

nabespreken

werkwoord

Betekenis

  1. na afloop bespreken, evalueren (het achteraf beoordelen van wat goed en wat slecht gegaan is om het in de toekomst beter te doen)

Vervoeging van nabespreken

nabesprekenhele werkwoord — besprak naverleden tijd enkelvoud — bespraken naverleden tijd meervoud — nabesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bespreek na besprak na
jij bespreekt na bespraakt na
hij, zij, het bespreekt na besprak na
wij bespreken na bespraken na
jullie bespreken na bespraken na
zij bespreken na bespraken na
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
besprak na verleden tijd
bespreek na gebiedende wijs
er is nabesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was nabesproken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd nabesproken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt nabesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal nabesproken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal nabesproken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou nabesproken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou nabesproken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had nabesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nabesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nabesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nabesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nabesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
na te bespreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
na te zullen bespreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
na zal bespreken bijzin, toekomende tijd
na zou bespreken bijzin, voorwaardelijk
na zouden bespreken bijzin, voorwaardelijk
na zoudt bespreken bijzin, voorwaardelijk
na zullen bespreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
na zullen bespreken bijzin, toekomende tijd
na zult bespreken bijzin, toekomende tijd
nabespraakt bijzin, verleden tijd
nabesprak bijzin, verleden tijd
nabespraken bijzin, verleden tijd
nabespreek bijzin, tegenwoordige tijd
nabespreekt bijzin, tegenwoordige tijd
nabesprekend onvoltooid, deelwoord
nabesproken verleden tijd, deelwoord
nabesproken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nabesproken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nabesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nabesproken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nabesproken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nabesproken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nabesproken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nabesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nabesproken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nabesproken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben nabesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nabespreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nabesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nabesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nabesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nabesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nabesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt nabesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt nabesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal nabespreken bijzin, toekomende tijd
zal nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal nabesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nabesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nabesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou nabespreken bijzin, voorwaardelijk
zou nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) nabespreken na zou(dt) bespreken bijzin, voorwaardelijk
zouden nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden nabespreken bijzin, voorwaardelijk
zouden nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt nabespreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt nabesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nabesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen nabespreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nabespreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen nabespreken bijzin, toekomende tijd
zullen nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nabesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nabesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nabesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nabesproken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nabesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van na en bespreken

Woordfamilie van nabespreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
besprak na verleden tijd nabespreken
bespraken na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon nabespreken
bespreek na gebiedende wijs nabespreken
bespreekt na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon nabespreken
bespreke na woordvorm nabespreken
bespreken na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon nabespreken
nabesprak subordinate-clause, verleden tijd nabespreken
nabespraken subordinate-clause, verleden tijd nabespreken
nabespreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd nabespreken
nabespreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd nabespreken
nabespreke with-subordinate-clause nabespreken
nabesprekend onvoltooid deelwoord nabespreken
nabesprekende woordvorm nabespreken
nabesproken voltooid deelwoord nabespreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nabespreken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over nabespreken

Wat betekent nabespreken?
Nabespreken is een werkwoord. Het woord betekent: na afloop bespreken, evalueren (het achteraf beoordelen van wat goed en wat slecht gegaan is om het in de toekomst beter te doen).
Hoe vervoeg je nabespreken?
Je vervoegt nabespreken als volgt: het voltooid deelwoord is nabesproken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord nabespreken is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. B 3
  4. E 1
  5. S 2
  6. P 3
  7. R 2
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

nabespreken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. B 4
  4. E 1
  5. S 2
  6. P 4
  7. R 2
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

nabespreken in het kort

nabespreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van nabespreken zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort nabespreken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

nabespreken: na afloop bespreken, evalueren (het achteraf beoordelen van wat goed en wat slecht gegaan is om het in de toekomst beter te doen)
Deel nabespreken — standaardnederlands.nl