nabouwen
werkwoord ˈnabɑuwə(n)Betekenis
- op dezelfde manier bouwen als al eerder gebeurd is
Hoe spreek je nabouwen uit?
/ˈnabɑuwən/
Nabouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van nabouwen
nabouwenhele werkwoord — bouwde naverleden tijd enkelvoud — bouwden naverleden tijd meervoud — nagebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bouw na | bouwde na |
| jij | bouwt na | bouwde na |
| hij, zij, het | bouwt na | bouwde na |
| wij | bouwen na | bouwden na |
| jullie | bouwen na | bouwden na |
| zij | bouwen na | bouwden na |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouw na | gebiedende wijs |
| bouwde na | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| nabouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nabouwde | bijzin, verleden tijd |
| nabouwden | bijzin, verleden tijd |
| nabouwend | onvoltooid, deelwoord |
| nabouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nagebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| nagebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben nagebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nabouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nabouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zal nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nabouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) nabouwen na zou(dt) bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nabouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nabouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen nabouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nabouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult nabouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult nabouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal nabouwen na zult/zal bouwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van na en bouwen
Woordfamilie van nabouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouw na | gebiedende wijs | nabouwen |
| bouwde na | verleden tijd | nabouwen |
| bouwden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nabouwen |
| bouwe na | woordvorm | nabouwen |
| bouwen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nabouwen |
| bouwt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nabouwen |
| nabouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nabouwen |
| nabouwde | subordinate-clause, verleden tijd | nabouwen |
| nabouwden | subordinate-clause, verleden tijd | nabouwen |
| nabouwe | with-subordinate-clause | nabouwen |
| nabouwend | onvoltooid deelwoord | nabouwen |
| nabouwende | woordvorm | nabouwen |
| nabouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nabouwen |
| nagebouwd | voltooid deelwoord | nabouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nabouwen zijn vastgelegd.