schlemiel
zelfstandig naamwoord ʃləˈmilBetekenis
- sukkel, domkop, slappeling
- stakker, stumper, pechvogel
- onhandig persoon, kluns, sukkel, iemand die voortdurend stommiteiten begaat
Hoe spreek je schlemiel uit?
/ʃləˈmil/
Schlemiel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| l | land |
| ə | de |
| m | maan |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als sjlemiel.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schlemielen | meervoud |
| schlemieltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schlemieltjes | verkleinwoord, meervoud |
| sjlemiel |
Herkomst
van Jiddisch שלימיל (sjlemiel) "sukkel"; mogelijk van Hebreeuws שלא מועיל (sjlo mohiel) "nutteloos", of vernoemd naar een Bijbelse personage Selumiël uit Numeri 7:36-41, die in bepaalde tradities gelijkgesteld wordt aan de sloeber Zimr uit Numeri 25:14, in de betekenis van ‘slappeling’ voor het eerst aangetroffen in 1906
Woordfamilie van schlemiel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schlemielen | meervoud | schlemiel |
| schlemieltje | verkleinwoord | schlemiel |
| schlemieltjes | verkleinwoord meervoud | schlemiel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schlemiel zijn vastgelegd.