mobiliseren
werkwoordBetekenis
- optrommelen en inschakelen van helpers, actiebereid maken van geestverwanten
- gevechtsklaar maken van legeronderdelen
Vervoeging van mobiliseren
mobiliserenhele werkwoord — mobiliseerdeverleden tijd enkelvoud — mobiliseerdenverleden tijd meervoud — gemobiliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mobiliseer | mobiliseerde |
| jij | mobiliseert | mobiliseerde |
| hij, zij, het | mobiliseert | mobiliseerde |
| wij | mobiliseren | mobiliseerden |
| jullie | mobiliseren | mobiliseerden |
| zij | mobiliseren | mobiliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemobiliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemobiliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemobiliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemobiliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemobiliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemobiliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemobiliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemobiliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemobiliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemobiliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemobiliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemobiliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemobiliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemobiliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemobiliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemobiliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemobiliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemobiliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemobiliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemobiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mobiliseer | gebiedende wijs |
| mobiliseerde | verleden tijd |
| mobilisere | aanvoegende wijs |
| mobiliserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemobiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mobiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mobiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemobiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemobiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemobiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemobiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemobiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mobiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemobiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemobiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemobiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mobiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘troepen in het veld brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van mobiliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemobiliseerd | voltooid deelwoord | mobiliseren |
| gemobiliseerde | woordvorm | mobiliseren |
| mobiliseer | gebiedende wijs | mobiliseren |
| mobiliseerde | verleden tijd | mobiliseren |
| mobiliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mobiliseren |
| mobiliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mobiliseren |
| mobilisere | aanvoegende wijs | mobiliseren |
| mobiliserend | onvoltooid deelwoord | mobiliseren |
| mobiliserende | woordvorm | mobiliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mobiliseren zijn vastgelegd.