miereneter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- tandloos zoogdier, formicivoor, met lange kleverige tong waarmee de mieren gevangen worden
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua, formicivoor die mieren vangt met lange kleverige tong
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| miereneters | meervoud |
| mierenetertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mierenetertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van mier en eter met het invoegsel -en- , in de betekenis van ‘tandarm zoogdier’ voor het eerst aangetroffen in 1761
Woordfamilie van miereneter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mierenetertje | verkleinwoord | miereneter |
| mierenetertjes | verkleinwoord meervoud | miereneter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van miereneter zijn vastgelegd.