metselaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bouwvakker gespecialiseerd in metselen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| metselaars | meervoud |
| metselaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| metselaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘iem. die metselen als beroep uitoefent’ voor het eerst aangetroffen in 1343
Woordfamilie van metselaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| metselaars | meervoud | metselaar |
| metselaartje | verkleinwoord | metselaar |
| metselaartjes | verkleinwoord meervoud | metselaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van metselaar zijn vastgelegd.