marktdag
zelfstandig naamwoord /'mɑrg.dɑx/Betekenis
- dag waarop markt gehouden wordt
Hoe spreek je marktdag uit?
/ˈmɑrgdɑx/
Marktdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| g | goal |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marktdagen | meervoud |
| marktdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marktdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van markt en dag
Woordfamilie van marktdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marktdagen | meervoud | marktdag |
| marktdagje | verkleinwoord | marktdag |
| marktdagjes | verkleinwoord meervoud | marktdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marktdag zijn vastgelegd.