beurs
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord børsBetekenis
- het beursgebouw waar effecten (waardepapieren) gekocht en verkocht worden
- een houder voor munten en biljetten
- toelage voor iemand die studeren wil
- tentoonstelling waar producenten in een bepaalde brache, nieuwe producten tonen, of het gebouw waarin zulke tentoonsellingen gehouden kunnen worden
- een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen.
- slijmbeurs (een kleine zakvormige holte gevuld met een visceuze vloeistof, welke dient als stootkussen op plaatsen, waar druk of wrijving bestaat)
- overrijp, buikziek
- beschadigd
Hoe spreek je beurs uit?
/børs/
Beurs bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| r | rood |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- tentoonstelling waar producenten in een bepaalde branche, nieuwe producten tonen, of het gebouw waarin zulke tentoonstellingen gehouden kunnen worden
- een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beursje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beursjes | verkleinwoord, meervoud |
| beurzen | meervoud |
Herkomst
zn [1], [4]: In de betekenis van ‘handelsbeurs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612, mogelijk een eponiem dat verwijst naar de familinaam Van der Beurze
Woordfamilie van beurs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beurse | woordvorm | beurs |
| beurser | woordvorm | beurs |
| beursere | woordvorm | beurs |
| beursers | woordvorm | beurs |
| beursje | verkleinwoord | beurs |
| beursjes | verkleinwoord meervoud | beurs |
| beurst | woordvorm | beurs |
| beurste | woordvorm | beurs |
| beurze | feminine, masculine | beurs |
| beurzen | meervoud | beurs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beurs zijn vastgelegd.