lijm
zelfstandig naamwoord, werkwoord lɛimBetekenis
- tussenstof die twee of meer deel|delen permanent aan elkaar bevestigen|bevestigt
Hoe spreek je lijm uit?
/lɛim/
Lijm bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- tussenstof die twee of meer delen permanent aan elkaar bevestigt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lijmen | meervoud |
| lijmpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lijmpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijmen
- gebiedende wijs van lijmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijmen
Vervoeging van lijm
lijmhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘plakmiddel’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van lijm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijmpje | verkleinwoord | lijm |
| lijmpjes | verkleinwoord meervoud | lijm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijm zijn vastgelegd.