knorren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'knɔrə(n)/Betekenis
- een geluid voortbrengen zoals een varken
- misnoegen, ontevredenheid uiten op boze wijze
- snorken, snurken
Hoe spreek je knorren uit?
/ˈknɔrən/
Knorren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van knorren
knorrenhele werkwoord — knordeverleden tijd enkelvoud — knordenverleden tijd meervoud — geknordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knor | knorde |
| jij | knort | knorde |
| hij, zij, het | knort | knorde |
| wij | knorren | knorden |
| jullie | knorren | knorden |
| zij | knorren | knorden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geknord | verleden tijd, deelwoord |
| geknord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knor | gebiedende wijs |
| knorde | verleden tijd |
| knorre | aanvoegende wijs |
| knorrend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knorren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knor
Herkomst
In de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van varkens maken’ voor het eerst aangetroffen in 1470
Woordfamilie van knorren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknord | voltooid deelwoord | knorren |
| knorde | verleden tijd | knorren |
| knorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knorren |
| knorre | aanvoegende wijs | knorren |
| knort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knorren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knorren zijn vastgelegd.