ronken
werkwoord ˈrɔŋkə(n)Betekenis
- het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
- bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
- diep slapen
Hoe spreek je ronken uit?
/ˈrɔŋkən/
Ronken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ronken
ronkenhele werkwoord — ronkteverleden tijd enkelvoud — ronktenverleden tijd meervoud — geronktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ronk | ronkte |
| jij | ronkt | ronkte |
| hij, zij, het | ronkt | ronkte |
| wij | ronken | ronkten |
| jullie | ronken | ronkten |
| zij | ronken | ronkten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geronkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geronkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geronkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geronkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geronkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geronkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geronkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geronkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geronkt | verleden tijd, deelwoord |
| geronkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geronkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geronkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geronkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geronkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geronkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geronkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geronkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geronkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geronkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geronkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ronk | gebiedende wijs |
| ronke | aanvoegende wijs |
| ronkend | onvoltooid, deelwoord |
| ronkte | verleden tijd |
| te hebben geronkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ronken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ronken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geronkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ronken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ronken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geronkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ronken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘snorren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van ronken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geronkt | voltooid deelwoord | ronken |
| ronk | gebiedende wijs | ronken |
| ronke | aanvoegende wijs | ronken |
| ronkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ronken |
| ronkte | verleden tijd | ronken |
| ronkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ronken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ronken zijn vastgelegd.