hoorn
zelfstandig naamwoord /ˈhɔːrᵊn/Betekenis
- hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
- uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten
- gedraaide schaal van sommige weekdieren
- een (elektro-) akoestische versterker, bijvoorbeeld het hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
- blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met ventielen, en een brede klankbeker
- stof waaruit de hoorns van bepaalde dieren bestaan
Hoe spreek je hoorn uit?
/ˈhɔrən/
Hoorn bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- deel van een ouderwets telefoontoestel waarmee men kan luisteren naar de gesprekspartner en waarin men tevens kan spreken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoornen | meervoud |
| hoorns | meervoud |
| hoorntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoorntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands horn van Oudnederlands horn **[1] in de betekenis van ‘uitsteeksel aan dierenkop’ aangetroffen vanaf 901 **[5] in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1300
Woordfamilie van hoorn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoorns | meervoud | hoorn |
| hoorntje | verkleinwoord | hoorn |
| hoorntjes | verkleinwoord meervoud | hoorn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoorn zijn vastgelegd.