Naar de inhoud

knabbelen

~ aan, ~ op met de tanden stukjes ergens van afbijten, met kleine beten knagen

knabbelen

werkwoord ˈknɑbələ(n)

Betekenis

  1. ~ aan, ~ op met de tanden stukjes ergens van afbijten, met kleine beten knagen

Hoe spreek je knabbelen uit?

/ˈknɑbələn/

Knabbelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈknɑbələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
n nek
ɑ bad
b bak
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van knabbelen

knabbelenhele werkwoord — knabbeldeverleden tijd enkelvoud — knabbeldenverleden tijd meervoud — geknabbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik knabbel knabbelde
jij knabbelt knabbelde
hij, zij, het knabbelt knabbelde
wij knabbelen knabbelden
jullie knabbelen knabbelden
zij knabbelen knabbelden
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
cnabbelen (vroeg-Nieuwnederl. spelling)
er is geknabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geknabbeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geknabbeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geknabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geknabbeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geknabbeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geknabbeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geknabbeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geknabbeld verleden tijd, deelwoord
geknabbeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geknabbeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geknabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geknabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geknabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geknabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geknabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geknabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geknabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geknabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geknabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
knabbel gebiedende wijs
knabbelde verleden tijd
knabbele aanvoegende wijs
knabbelend onvoltooid, deelwoord
te hebben geknabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te knabbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen knabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geknabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen knabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geknabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult knabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van Frans “maschonner” (mod. mâchonner) “kauwen” voor het eerst aangetroffen in een Nederlands-Frans woordenboek verschenen in het jaar 1562.

Woordfamilie van knabbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geknabbeld voltooid deelwoord knabbelen
geknabbelde woordvorm knabbelen
knabbel gebiedende wijs knabbelen
knabbelde verleden tijd knabbelen
knabbelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon knabbelen
knabbele aanvoegende wijs knabbelen
knabbelend onvoltooid deelwoord knabbelen
knabbelende woordvorm knabbelen
knabbelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon knabbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knabbelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over knabbelen

Hoe spreek je knabbelen uit?
De uitspraak van knabbelen is: /ˈknɑbələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent knabbelen?
Knabbelen is een werkwoord. Het woord betekent: ~ aan, ~ op met de tanden stukjes ergens van afbijten, met kleine beten knagen.
Hoe vervoeg je knabbelen?
Je vervoegt knabbelen als volgt: de tegenwoordige tijd is knabbel, de verleden tijd is knabbelde en het voltooid deelwoord is geknabbeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op knabbelen?

Er staan 6 woorden in dit woordenboek die op knabbelen rijmen, waaronder babbelen, kabbelen en zabbelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op knabbelen, uitspraak ˈknɑbələn, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
babbelen 3
kabbelen 3
zabbelen 3
grabbelen 3
snabbelen 3
zwabbelen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord knabbelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. N 1
  3. A 1
  4. B 3
  5. B 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

knabbelen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. N 1
  3. A 1
  4. B 4
  5. B 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

knabbelen in het kort

knabbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van knabbelen zijn 41 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort knabbelen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

knabbelen: ~ aan, ~ op met de tanden stukjes ergens van afbijten, met kleine beten knagen
Deel knabbelen — standaardnederlands.nl