babbelen
werkwoord ˈbɑbələ(n)Betekenis
- gezellig praten over zaken van weinig belang
Hoe spreek je babbelen uit?
/ˈbɑbələn/
Babbelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van babbelen
babbelenhele werkwoord — babbeldeverleden tijd enkelvoud — babbeldenverleden tijd meervoud — gebabbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | babbel | babbelde |
| jij | babbelt | babbelde |
| hij, zij, het | babbelt | babbelde |
| wij | babbelen | babbelden |
| jullie | babbelen | babbelden |
| zij | babbelen | babbelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| babbel | gebiedende wijs |
| babbelde | verleden tijd |
| babbele | aanvoegende wijs |
| babbelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebabbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebabbeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebabbeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebabbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebabbeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebabbeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebabbeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebabbeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebabbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebabbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebabbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te babbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen babbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen babbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult babbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit het verouderde babben ww "kinderlijk praten" met het achtervoegsel -el; in de betekenis van ‘praten’ voor het eerst aangetroffen in 1784
Woordfamilie van babbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| babbelde | verleden tijd | babbelen |
| babbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | babbelen |
| babbele | aanvoegende wijs | babbelen |
| babbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | babbelen |
| gebabbeld | voltooid deelwoord | babbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van babbelen zijn vastgelegd.