kabbelen
werkwoord /'kɑbələ(n)/Betekenis
- zacht stromen en geluid maken
Hoe spreek je kabbelen uit?
/ˈkɑbələn/
Kabbelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kabbelen
kabbelenhele werkwoord — kabbeldeverleden tijd enkelvoud — kabbeldenverleden tijd meervoud — gekabbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kabbel | kabbelde |
| jij | kabbelt | kabbelde |
| hij, zij, het | kabbelt | kabbelde |
| wij | kabbelen | kabbelden |
| jullie | kabbelen | kabbelden |
| zij | kabbelen | kabbelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekabbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekabbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekabbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kabbel | gebiedende wijs |
| kabbelde | verleden tijd |
| kabbele | aanvoegende wijs |
| kabbelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zacht golven’ voor het eerst aangetroffen in 1631
Woordfamilie van kabbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekabbeld | voltooid deelwoord | kabbelen |
| gekabbelde | woordvorm | kabbelen |
| kabbel | gebiedende wijs | kabbelen |
| kabbelde | verleden tijd | kabbelen |
| kabbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kabbelen |
| kabbele | aanvoegende wijs | kabbelen |
| kabbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kabbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kabbelen zijn vastgelegd.