zabbelen
werkwoord /ˈzɑbələ(n)/Betekenis
- likken en zuigen aan iets
Hoe spreek je zabbelen uit?
/ˈzɑbələn/
Zabbelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zabbelen
zabbelenhele werkwoord — zabbeldeverleden tijd enkelvoud — zabbeldenverleden tijd meervoud — gezabbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zabbel | zabbelde |
| jij | zabbelt | zabbelde |
| hij, zij, het | zabbelt | zabbelde |
| wij | zabbelen | zabbelden |
| jullie | zabbelen | zabbelden |
| zij | zabbelen | zabbelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezabbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezabbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezabbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sabbelen | |
| te hebben gezabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zabbel | gebiedende wijs |
| zabbelde | verleden tijd |
| zabbele | aanvoegende wijs |
| zabbelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit zabben met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van zabbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezabbeld | voltooid deelwoord | zabbelen |
| zabbel | gebiedende wijs | zabbelen |
| zabbelde | verleden tijd | zabbelen |
| zabbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zabbelen |
| zabbele | aanvoegende wijs | zabbelen |
| zabbelend | onvoltooid deelwoord | zabbelen |
| zabbelende | woordvorm | zabbelen |
| zabbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zabbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zabbelen zijn vastgelegd.