instrueren
werkwoordBetekenis
- een vaardigheid onderwijzen
- (een zaak) voorbereiden
werkwoord
- voorbereiden
Vervoeging van instrueren
instruerenhele werkwoord — instrueerdeverleden tijd enkelvoud — instrueerdenverleden tijd meervoud — geïnstrueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | instrueer | instrueerde |
| jij | instrueert | instrueerde |
| hij, zij, het | instrueert | instrueerde |
| wij | instrueren | instrueerden |
| jullie | instrueren | instrueerden |
| zij | instrueren | instrueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnstrueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnstrueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnstrueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnstrueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnstrueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnstrueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnstrueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnstrueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnstrueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnstrueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnstrueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnstrueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstrueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstrueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstrueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnstrueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnstrueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnstrueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnstrueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| instrueer | gebiedende wijs |
| instrueerde | verleden tijd |
| instruere | aanvoegende wijs |
| instruerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te instrueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen instrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnstrueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnstrueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen instrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnstrueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnstrueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult instrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderrichten’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van instrueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnstrueerd | voltooid deelwoord | instrueren |
| geïnstrueerde | woordvorm | instrueren |
| instrueer | gebiedende wijs | instrueren |
| instrueerde | verleden tijd | instrueren |
| instrueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | instrueren |
| instrueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | instrueren |
| instruere | aanvoegende wijs | instrueren |
| instruerend | onvoltooid deelwoord | instrueren |
| instruerende | woordvorm | instrueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instrueren zijn vastgelegd.