Naar de inhoud

instrueren

een vaardigheid onderwijzen

instrueren

werkwoord

Betekenis

  1. een vaardigheid onderwijzen
  2. (een zaak) voorbereiden

werkwoord

  1. voorbereiden

Vervoeging van instrueren

instruerenhele werkwoord — instrueerdeverleden tijd enkelvoud — instrueerdenverleden tijd meervoud — geïnstrueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik instrueer instrueerde
jij instrueert instrueerde
hij, zij, het instrueert instrueerde
wij instrueren instrueerden
jullie instrueren instrueerden
zij instrueren instrueerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïnstrueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïnstrueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïnstrueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïnstrueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïnstrueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïnstrueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïnstrueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïnstrueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïnstrueerd verleden tijd, deelwoord
geïnstrueerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnstrueerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnstrueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstrueerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstrueerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstrueerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnstrueerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnstrueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnstrueerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnstrueerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnstrueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
instrueer gebiedende wijs
instrueerde verleden tijd
instruere aanvoegende wijs
instruerend onvoltooid, deelwoord
is geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïnstrueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te instrueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen instrueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïnstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïnstrueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïnstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïnstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnstrueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt instrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen instrueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïnstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnstrueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnstrueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult instrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderrichten’ voor het eerst aangetroffen in 1265

Woordfamilie van instrueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïnstrueerd voltooid deelwoord instrueren
geïnstrueerde woordvorm instrueren
instrueer gebiedende wijs instrueren
instrueerde verleden tijd instrueren
instrueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon instrueren
instrueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon instrueren
instruere aanvoegende wijs instrueren
instruerend onvoltooid deelwoord instrueren
instruerende woordvorm instrueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instrueren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over instrueren

Wat is de betekenis van instrueren?
Instrueren is een werkwoord. De betekenis is: een vaardigheid onderwijzen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik instrueren?
Zo vervoeg je instrueren zo: de tegenwoordige tijd is instrueer, de verleden tijd is instrueerde en het voltooid deelwoord is geïnstrueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord instrueren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. U 4
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

instrueren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. U 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

instrueren in het kort

instrueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van instrueren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort instrueren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

instrueren: een vaardigheid onderwijzen
Deel instrueren — standaardnederlands.nl