bijbrengen
werkwoordBetekenis
- iemand ~: weer bij bewustzijn brengen
- iemand iets bijbrengen: zorgen dat iemand iets leert
Vervoeging van bijbrengen
bijbrengenhele werkwoord — bracht bijverleden tijd enkelvoud — brachten bijverleden tijd meervoud — bijgebrachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breng bij | bracht bij |
| jij | brengt bij | bracht bij |
| hij, zij, het | brengt bij | bracht bij |
| wij | brengen bij | brachten bij |
| jullie | brengen bij | brachten bij |
| zij | brengen bij | brachten bij |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bij te brengen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal brengen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen brengen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult brengen | bijzin, toekomende tijd |
| bijbracht | bijzin, verleden tijd |
| bijbrachten | bijzin, verleden tijd |
| bijbreng | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijbrengend | onvoltooid, deelwoord |
| bijbrengt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijgebracht | verleden tijd, deelwoord |
| bijgebracht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgebracht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgebracht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgebracht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgebracht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgebracht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgebracht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgebracht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgebracht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgebracht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bracht bij | verleden tijd |
| breng bij | gebiedende wijs |
| er is bijgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bijgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bijgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bijgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bijgebracht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bijgebracht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bijgebracht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bijgebracht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijbrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bijgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bijgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bijgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bijgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijbrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zal bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bijgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bijgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) bijbrengen bij zou(dt) brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bijbrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijbrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bijbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van bij en brengen
Woordfamilie van bijbrengen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijbracht | subordinate-clause, verleden tijd | bijbrengen |
| bijbrachten | subordinate-clause, verleden tijd | bijbrengen |
| bijbreng | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijbrengen |
| bijbrenge | with-subordinate-clause | bijbrengen |
| bijbrengend | onvoltooid deelwoord | bijbrengen |
| bijbrengende | woordvorm | bijbrengen |
| bijbrengt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijbrengen |
| bijgebracht | voltooid deelwoord | bijbrengen |
| bijgebrachte | woordvorm | bijbrengen |
| bracht bij | verleden tijd | bijbrengen |
| brachten bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijbrengen |
| breng bij | gebiedende wijs | bijbrengen |
| brenge bij | woordvorm | bijbrengen |
| brengen bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijbrengen |
| brengt bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijbrengen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijbrengen zijn vastgelegd.