hengel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɛŋəlBetekenis
- stok of buis om met een lijn te vissen
- stok of buis om een microfoon op de gewenste plaats te houden
Hoe spreek je hengel uit?
/ˈhɛŋəl/
Hengel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Melampyrum pratense een plant uit de bremraapfamilie Orobanchaceae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hengels | meervoud |
| hengeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hengeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
- gebiedende wijs van hengelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
Vervoeging van hengel
hengelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vistuig’ voor het eerst aangetroffen in 1440
Woordfamilie van hengel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hengels | meervoud | hengel |
| hengeltje | verkleinwoord | hengel |
| hengeltjes | verkleinwoord meervoud | hengel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hengel zijn vastgelegd.