hengelen
werkwoord ˈhɛŋələ(n)Betekenis
- vis trachten te vangen met een haak aan een lijn dei geleid wordt op een lange stok
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je hengelen uit?
/ˈhɛŋələn/
Hengelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- vis trachten te vangen met een haak aan een lijn die geleid wordt op een lange stok unergative
Vervoeging van hengelen
hengelenhele werkwoord — hengeldeverleden tijd enkelvoud — hengeldenverleden tijd meervoud — gehengeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hengel | hengelde |
| jij | hengelt | hengelde |
| hij, zij, het | hengelt | hengelde |
| wij | hengelen | hengelden |
| jullie | hengelen | hengelden |
| zij | hengelen | hengelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehengeld | verleden tijd, deelwoord |
| gehengeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehengeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hengel | gebiedende wijs |
| hengelde | verleden tijd |
| hengele | aanvoegende wijs |
| hengelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hengelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van hengel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van hengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehengeld | voltooid deelwoord | hengelen |
| hengelde | verleden tijd | hengelen |
| hengelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hengelen |
| hengele | aanvoegende wijs | hengelen |
| hengelend | onvoltooid deelwoord | hengelen |
| hengelende | woordvorm | hengelen |
| hengelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hengelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hengelen zijn vastgelegd.