tengel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtɛŋəlBetekenis
- vinger
- een kleine houten lat
Hoe spreek je tengel uit?
/ˈtɛŋəl/
Tengel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- meestal : vinger informal, plural
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tengels | meervoud |
| tengeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tengeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tengelen
- gebiedende wijs van tengelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tengelen
Vervoeging van tengel
tengelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘houten strook’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1848
Woordfamilie van tengel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tengels | meervoud | tengel |
| tengeltje | verkleinwoord | tengel |
| tengeltjes | verkleinwoord meervoud | tengel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tengel zijn vastgelegd.