engel
zelfstandig naamwoord ˈɛŋəlBetekenis
- (monotheïsme) geestelijk hemels wezen dat God dient en bemiddelt tussen God en mens
- iemand die grote daden van naastenliefde doet
Hoe spreek je engel uit?
/ˈɛŋəl/
Engel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- geestelijk hemels wezen dat God dient en bemiddelt tussen God en mens
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| engelen | meervoud |
| engeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| engeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands engel / inghel en Latijn angelus van Oudgrieks ἄγγελος (ángelos) "bode, afgezant", in de betekenis van ‘bode van God’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van engel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| engelen | meervoud | engel |
| engeltje | verkleinwoord | engel |
| engeltjes | verkleinwoord meervoud | engel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van engel zijn vastgelegd.