dobber
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- drijvend voorwerp dat onder water verdwijnt bij het vangen van een vis
zelfstandig naamwoord — masculine
- aan de vislijn bevestigd drijvend voorwerp dat onder water verdwijnt bij het vangen van een vis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dobbers | meervoud |
| dobbertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dobbertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dobberen
- gebiedende wijs van dobberen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dobberen
Vervoeging van dobber
dobberhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘drijver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412
Woordfamilie van dobber
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dobbers | meervoud | dobber |
| dobbertje | verkleinwoord | dobber |
| dobbertjes | verkleinwoord meervoud | dobber |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dobber zijn vastgelegd.