hardrijden
werkwoord ˈhɑrtrɛidə(n)Betekenis
- proberen een bepaalde afstand zo snel mogelijk af te leggen
Hoe spreek je hardrijden uit?
/ˈhɑrtrɛidən/
Hardrijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van hardrijden
hardrijdenhele werkwoord — reed hardverleden tijd enkelvoud — reden hardverleden tijd meervoud — hardgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij hard | reed hard |
| jij | rijdt hard | reed hard |
| hij, zij, het | rijdt hard | reed hard |
| wij | rijden hard | reden hard |
| jullie | rijden hard | reden hard |
| zij | rijden hard | reden hard |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. rij hard/ rijd hard | gebiedende wijs |
| hard te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hard te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hard zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| hard zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| hard zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| hard zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| hard zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hard zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| hard zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| hardgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hardgereden | verleden tijd, deelwoord |
| hardgereden te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hardgereden zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hardreden | bijzin, verleden tijd |
| hardreed | bijzin, verleden tijd |
| hardrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hardrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hardrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| hardrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| reed hard | verleden tijd |
| te hardgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hardrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hardrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hardrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) hardrijden hard zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hardrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hardrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen hardrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hardrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult hardrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hardrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal hardrijden hard zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van hard en rijden
Woordfamilie van hardrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hardgereden | voltooid deelwoord | hardrijden |
| hardreden | subordinate-clause, verleden tijd | hardrijden |
| hardreed | subordinate-clause, verleden tijd | hardrijden |
| hardrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hardrijden |
| hardrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hardrijden |
| hardrijde | with-subordinate-clause | hardrijden |
| hardrijdend | onvoltooid deelwoord | hardrijden |
| hardrijdende | woordvorm | hardrijden |
| hardrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hardrijden |
| reden hard | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hardrijden |
| reed hard | verleden tijd | hardrijden |
| rij hard | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | hardrijden |
| rijd hard | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | hardrijden |
| rijde hard | woordvorm | hardrijden |
| rijden hard | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | hardrijden |
| rijdt hard | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hardrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hardrijden zijn vastgelegd.