groep
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣrupBetekenis
- uit meerdere persoon|personen, dieren of eenheid|eenheden bestaand geheel
- deel van een installatie dat afzonderlijk is beveiligd
Hoe spreek je groep uit?
/xrup/
Groep bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| u | boek |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- uit meerdere personen, dieren of eenheden bestaand geheel
- groep leerlingen, klas [1], voornamelijk in het Nederlandse basisonderwijs
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| groepen | meervoud |
| groepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| groepjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
- gebiedende wijs van groepen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
Vervoeging van groep
groephele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzameling’ voor het eerst aangetroffen in 1618
Woordfamilie van groep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groepen | meervoud | groep |
| groepje | verkleinwoord | groep |
| groepjes | verkleinwoord meervoud | groep |
| gegroept | woordvorm | groepen |
| groepe | woordvorm | groepen |
| groepend | woordvorm | groepen |
| groepende | woordvorm | groepen |
| groept | woordvorm | groepen |
| groepte | woordvorm | groepen |
| groepten | woordvorm | groepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groep zijn vastgelegd.