risicogroep
zelfstandig naamwoord ˈrizikoˌɣrupBetekenis
- een deel van de bevolking met een grotere kans op een bepaalde ziekte of aandoening
- een deel van de bevoling dat een grotere kans heeft op een belaalde vervelende gebeurtenis
Hoe spreek je risicogroep uit?
/ˈrizikoˌxrup/
Risicogroep bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| z | zon |
| k | kat |
| o | boot |
| x | acht |
| u | boek |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| risicogroepen | meervoud |
| risicogroepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| risicogroepjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van risico en groep
Woordfamilie van risicogroep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| risicogroepen | meervoud | risicogroep |
| risicogroepje | verkleinwoord | risicogroep |
| risicogroepjes | verkleinwoord meervoud | risicogroep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van risicogroep zijn vastgelegd.