stoep
zelfstandig naamwoord, werkwoord stupBetekenis
- meestal stenen verhoging bij de ingang van een woning
- vaak verhoogd onderdeel van een weg bedoeld voor voetgangers
Hoe spreek je stoep uit?
/stup/
Stoep bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- horizontaal gemaakt vlak langs een waterkant, gebruikt voor werkzaamheden of als deel van een brug
- op- en afrit langs een dijk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stoepen | meervoud |
| stoepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stoepjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoepen
- gebiedende wijs van stoepen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoepen
Vervoeging van stoep
stoephele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands stoep, cognaat met stappen ww , in de betekenis van ‘trottoir’ aangetroffen vanaf 1258 **[4] in de betekenis ‘oprit van een dijk’ gebruikt in de delta van de grote rivieren
Woordfamilie van stoep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stoepen | meervoud | stoep |
| stoepje | verkleinwoord | stoep |
| stoepjes | verkleinwoord meervoud | stoep |
| gestoept | woordvorm | stoepen |
| stoepe | woordvorm | stoepen |
| stoepend | woordvorm | stoepen |
| stoepende | woordvorm | stoepen |
| stoept | woordvorm | stoepen |
| stoepte | woordvorm | stoepen |
| stoepten | woordvorm | stoepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoep zijn vastgelegd.