troep
zelfstandig naamwoord trupBetekenis
- rommel, rotzooi
- groep
- manschappen
- Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.
- De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
- (ongeordende) groep dieren
- Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.
- In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.
- Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
- Mensen vormen nog steeds een troep, net als apen.
- Een troep gillende kinderen rende voorbij.
Hoe spreek je troep uit?
/trup/
Troep bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| u | boek |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vele waardeloze spullen door elkaar
- groep levende wezens
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| troepen | meervoud |
| troepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| troepjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Frans troupe, in de betekenis van ‘menigte, bende’ voor het eerst aangetroffen in 1583
Woordfamilie van troep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| troepje | verkleinwoord | troep |
| troepjes | verkleinwoord meervoud | troep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troep zijn vastgelegd.