Naar de inhoud

glibberen

met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is

glibberen

werkwoord

Betekenis

  1. met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is

werkwoord

  1. met onvaste bewegingen in een bepaalde glijden, langs of met een oppervlak dat door vocht glad is ergative
  2. zonder richting onvaste glijdende bewegingen maken unergative

Vervoeging van glibberen

glibberenhele werkwoord — glibberdeverleden tijd enkelvoud — glibberdenverleden tijd meervoud — geglibberdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik glibber glibberde
jij glibbert glibberde
hij, zij, het glibbert glibberde
wij glibberen glibberden
jullie glibberen glibberden
zij glibberen glibberden
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geglibberd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geglibberd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geglibberd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geglibberd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geglibberd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geglibberd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geglibberd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geglibberd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geglibberd verleden tijd, deelwoord
geglibberd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geglibberd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geglibberd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geglibberd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
glibber gebiedende wijs
glibberde verleden tijd
glibbere aanvoegende wijs
glibberend onvoltooid, deelwoord
had geglibberd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geglibberd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geglibberd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geglibberd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geglibberd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te glibberen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geglibberd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn geglibberd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen glibberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geglibberd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geglibberd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geglibberd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geglibberd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geglibberd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geglibberd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geglibberd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geglibberd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geglibberd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt glibberen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen glibberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geglibberd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geglibberd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult glibberen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘glijden’ voor het eerst aangetroffen in 1632

Woordfamilie van glibberen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geglibberd voltooid deelwoord glibberen
geglibberde woordvorm glibberen
glibber gebiedende wijs glibberen
glibberde verleden tijd glibberen
glibberden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon glibberen
glibbere aanvoegende wijs glibberen
glibberend onvoltooid deelwoord glibberen
glibberende woordvorm glibberen
glibbert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon glibberen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glibberen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over glibberen

Wat betekent glibberen?
Glibberen is een werkwoord. Het woord betekent: met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je glibberen?
Je vervoegt glibberen als volgt: de tegenwoordige tijd is glibber, de verleden tijd is glibberde en het voltooid deelwoord is geglibberd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord glibberen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. L 3
  3. I 1
  4. B 3
  5. B 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

glibberen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. L 3
  3. I 2
  4. B 4
  5. B 4
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

glibberen in het kort

glibberen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van glibberen zijn 57 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort glibberen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

glibberen: met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is
Deel glibberen — standaardnederlands.nl