glibberen
werkwoordBetekenis
- met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is
werkwoord
- met onvaste bewegingen in een bepaalde glijden, langs of met een oppervlak dat door vocht glad is ergative
- zonder richting onvaste glijdende bewegingen maken unergative
Vervoeging van glibberen
glibberenhele werkwoord — glibberdeverleden tijd enkelvoud — glibberdenverleden tijd meervoud — geglibberdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glibber | glibberde |
| jij | glibbert | glibberde |
| hij, zij, het | glibbert | glibberde |
| wij | glibberen | glibberden |
| jullie | glibberen | glibberden |
| zij | glibberen | glibberden |
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geglibberd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geglibberd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geglibberd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geglibberd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geglibberd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geglibberd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geglibberd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geglibberd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geglibberd | verleden tijd, deelwoord |
| geglibberd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglibberd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglibberd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geglibberd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glibber | gebiedende wijs |
| glibberde | verleden tijd |
| glibbere | aanvoegende wijs |
| glibberend | onvoltooid, deelwoord |
| had geglibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geglibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geglibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geglibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glibberen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geglibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geglibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glibberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geglibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geglibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geglibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geglibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geglibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geglibberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glibberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geglibberd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘glijden’ voor het eerst aangetroffen in 1632
Woordfamilie van glibberen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglibberd | voltooid deelwoord | glibberen |
| geglibberde | woordvorm | glibberen |
| glibber | gebiedende wijs | glibberen |
| glibberde | verleden tijd | glibberen |
| glibberden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glibberen |
| glibbere | aanvoegende wijs | glibberen |
| glibberend | onvoltooid deelwoord | glibberen |
| glibberende | woordvorm | glibberen |
| glibbert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glibberen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glibberen zijn vastgelegd.