genezen
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɣəˈnezə(n)Betekenis
- gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
- iemand gezond maken, helen
- weer gezond geworden
Hoe spreek je genezen uit?
/xəˈnezən/
Genezen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| e | veel |
| z | zon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- weer overgaan, weer voorbijgaan ergative
- iemand gezond maken transitive
- helen transitive
- niet meer geloven in een verkeerde opvatting figuratively
Vervoeging van genezen
genezenhele werkwoord — genasverleden tijd enkelvoud — genazenverleden tijd meervoud — genezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | genees | genas |
| jij | geneest | genaast |
| hij, zij, het | geneest | genas |
| wij | genezen | genazen |
| jullie | genezen | genazen |
| zij | genezen | genazen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genas | verleden tijd |
| genees | gebiedende wijs |
| geneze | aanvoegende wijs |
| genezen | verleden tijd, deelwoord |
| genezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genezend | onvoltooid, deelwoord |
| had genezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te genezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben genezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen genezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt genezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt genezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen genezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult genezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult genezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van genezen
Vervoeging van genezen
genezenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘beter (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Woordfamilie van genezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genas | verleden tijd | genezen |
| genazen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | genezen |
| genees | gebiedende wijs | genezen |
| geneest | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | genezen |
| geneze | aanvoegende wijs | genezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van genezen zijn vastgelegd.