Naar de inhoud

genezen

gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding

genezen is meer dan één woord

genezen

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɣəˈnezə(n)

Betekenis

  1. gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
  2. iemand gezond maken, helen
  3. weer gezond geworden

Hoe spreek je genezen uit?

/xəˈnezən/

Genezen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /xəˈnezən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
x acht
ə de
n nek
e veel
z zon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. weer overgaan, weer voorbijgaan ergative
  2. iemand gezond maken transitive
  3. helen transitive
  4. niet meer geloven in een verkeerde opvatting figuratively

Vervoeging van genezen

genezenhele werkwoord — genasverleden tijd enkelvoud — genazenverleden tijd meervoud — genezenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik genees genas
jij geneest genaast
hij, zij, het geneest genas
wij genezen genazen
jullie genezen genazen
zij genezen genazen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben genezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is genezen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was genezen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd genezen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt genezen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal genezen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal genezen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou genezen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou genezen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
genas verleden tijd
genees gebiedende wijs
geneze aanvoegende wijs
genezen verleden tijd, deelwoord
genezen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genezen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genezen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genezen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
genezen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genezen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genezen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genezen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
genezen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
genezen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
genezend onvoltooid, deelwoord
had genezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had genezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden genezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden genezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb genezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben genezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben genezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is genezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te genezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben genezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen genezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was genezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was genezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was genezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt genezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt genezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal genezen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genezen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal genezen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal genezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn genezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn genezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt genezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt genezen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt genezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen genezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen genezen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genezen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genezen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult genezen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult genezen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van genezen

Vervoeging van genezen

genezenhele werkwoord

Herkomst

In de betekenis van ‘beter (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Woordfamilie van genezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
genas verleden tijd genezen
genazen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon genezen
genees gebiedende wijs genezen
geneest aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon genezen
geneze aanvoegende wijs genezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van genezen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over genezen

Hoe spreek ik genezen uit?
Zo spreek je genezen uit: /ɣəˈnezə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van genezen?
Genezen is een werkwoord. De betekenis is: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik genezen?
Zo vervoeg je genezen zo: de tegenwoordige tijd is genees, de verleden tijd is genas en het voltooid deelwoord is genezen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spreekwoorden en gezegden met genezen

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op genezen?

Genezen rijmt op 32 woorden op -ezen; lezen, vrezen en wezen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op genezen, uitspraak xəˈnezən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
lezen 2
vrezen 2
wezen 2
sjezen 2
aangewezen 4
pezen 2
frezen 2
veelgeprezen 4
aanbewezen 4
aangeprezen 4
aangevezen 4
biosynthesen 5
bordelezen 4
congolezen 4
gelezen 3
gerezen 3
hakkelkezen 4
hypothesen 4
indochinezen 5
kwispellezen 4
lipgelezen 4
metathesen 4
nepalezen 4
pindachinezen 5
poepchinezen 4
tandprothesen 4
tegenaangewezen 6
telekinesen 5
veilingwezen 4
verrezen 3
vlezen 2
werkhypothesen 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord genezen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. Z 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

genezen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. Z 5
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

genezen telt 7 letters, waarvan 4 verschillende, want 3 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

genezen in het kort

genezen is zowel werkwoord als bijvoeglijk naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van genezen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort genezen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

genezen: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
Deel genezen — standaardnederlands.nl