Naar de inhoud

fitten

in elkaar passen, pasklaar maken

fitten is meer dan één woord

fitten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in elkaar passen, pasklaar maken
  2. door omvatting met een fithaak meten
  3. de diepte van boorgaten meten

Vervoeging van fitten

fittenhele werkwoord — fitteverleden tijd enkelvoud — gefitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fit fitte
jij fit fitte
hij, zij, het fit fitte
wij fitten —
jullie fitten —
zij fitten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gefit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gefit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
fit gebiedende wijs
fitte verleden tijd
fitte aanvoegende wijs
fittend onvoltooid, deelwoord
gefit verleden tijd, deelwoord
gefit te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefit te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefit te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefit te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefit worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefit zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefit zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefit zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gefit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefit voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gefit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gefit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gefit voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gefit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gefit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gefit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gefit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gefit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gefit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefit zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefit zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord fit

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van fitten

Vervoeging van fitten

fittenhele werkwoord

Herkomst

Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pasklaar maken (van buizen)’ voor het eerst aangetroffen in 1898

Woordfamilie van fitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fittend onvoltooid deelwoord fitten
fittende woordvorm fitten
gefit voltooid deelwoord fitten
gefitte woordvorm fitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fitten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over fitten

Wat betekent fitten?
Fitten is een werkwoord. Het woord betekent: in elkaar passen, pasklaar maken. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je fitten?
Je vervoegt fitten als volgt: de tegenwoordige tijd is fit, de verleden tijd is fitte en het voltooid deelwoord is gefit. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fitten is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fitten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. I 2
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fitten telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

fitten in het kort

fitten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van fitten zijn 72 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort fitten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

fitten: in elkaar passen, pasklaar maken
Deel fitten — standaardnederlands.nl