fitten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- in elkaar passen, pasklaar maken
- door omvatting met een fithaak meten
- de diepte van boorgaten meten
Vervoeging van fitten
fittenhele werkwoord — fitteverleden tijd enkelvoud — gefitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fit | fitte |
| jij | fit | fitte |
| hij, zij, het | fit | fitte |
| wij | fitten | — |
| jullie | fitten | — |
| zij | fitten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fit | gebiedende wijs |
| fitte | verleden tijd |
| fitte | aanvoegende wijs |
| fittend | onvoltooid, deelwoord |
| gefit | verleden tijd, deelwoord |
| gefit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fit
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van fitten
Vervoeging van fitten
fittenhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pasklaar maken (van buizen)’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van fitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fittend | onvoltooid deelwoord | fitten |
| fittende | woordvorm | fitten |
| gefit | voltooid deelwoord | fitten |
| gefitte | woordvorm | fitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fitten zijn vastgelegd.