experimenteren
werkwoordBetekenis
- iets uitproberen, een proef nemen, een experiment uitvoeren
Vervoeging van experimenteren
experimenterenhele werkwoord — experimenteerdeverleden tijd enkelvoud — experimenteerdenverleden tijd meervoud — geëxperimenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | experimenteer | experimenteerde |
| jij | experimenteert | experimenteerde |
| hij, zij, het | experimenteert | experimenteerde |
| wij | experimenteren | experimenteerden |
| jullie | experimenteren | experimenteerden |
| zij | experimenteren | experimenteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| experimenteer | gebiedende wijs |
| experimenteerde | verleden tijd |
| experimentere | aanvoegende wijs |
| experimenterend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxperimenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxperimenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxperimenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxperimenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxperimenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxperimenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te experimenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxperimenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen experimenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxperimenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen experimenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult experimenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxperimenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een proef nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van experimenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| experimenteer | gebiedende wijs | experimenteren |
| experimenteerde | verleden tijd | experimenteren |
| experimenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | experimenteren |
| experimenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | experimenteren |
| experimentere | aanvoegende wijs | experimenteren |
| experimenterend | onvoltooid deelwoord | experimenteren |
| experimenterende | woordvorm | experimenteren |
| geëxperimenteerd | voltooid deelwoord | experimenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van experimenteren zijn vastgelegd.