onderzoeken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˌɔndərˈzukə(n)Betekenis
- de oorzaak of reden van iets bestuderen
- een onderzoek instellen
- kennis verzamelen om iets beter te begrijpen
Hoe spreek je onderzoeken uit?
/ˌɔndərˈzukən/
Onderzoeken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| u | boek |
| k | kat |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de oorzaak of reden van iets proberen te achterhalen transitive
Vervoeging van onderzoeken
onderzoekenhele werkwoord — onderzochtverleden tijd enkelvoud — onderzochtenverleden tijd meervoud — onderzochtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onderzoek | onderzocht |
| jij | onderzoekt | onderzocht |
| hij, zij, het | onderzoekt | onderzocht |
| wij | onderzoeken | onderzochten |
| jullie | onderzoeken | onderzochten |
| zij | onderzoeken | onderzochten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had onderzocht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onderzocht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onderzocht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onderzocht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onderzocht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onderzocht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onderzocht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderzocht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderzocht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onderzocht | verleden tijd |
| onderzocht | verleden tijd, deelwoord |
| onderzocht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderzocht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderzoek | gebiedende wijs |
| onderzoeke | aanvoegende wijs |
| onderzoekend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben onderzocht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onderzoeken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onderzoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt onderzocht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onderzoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult onderzocht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onderzoeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord onderzoek
Herkomst
samenstelling van onder bw en zoeken ww
Woordfamilie van onderzoeken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onderzochten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onderzoeken |
| onderzoeke | aanvoegende wijs | onderzoeken |
| onderzoekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onderzoeken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderzoeken zijn vastgelegd.