eigenen
werkwoordBetekenis
- zich ~ tot geschikt zijn voor iets, zich lenen voor
- zich toe-eigenen
Vervoeging van eigenen
eigenenhele werkwoord — geëigendvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eigen me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| eigen u/je , eigent je | gebiedende wijs |
| eigende | verleden tijd |
| eigende je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| eigende me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| eigende u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| eigende u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| eigende zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| eigende zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| eigende zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| eigenden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| eigenden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| eigenden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| eigene zich | aanvoegende wijs |
| eigenen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| eigenen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| eigenen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| eigent je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| eigent u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| eigent u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| eigent zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| eigent zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| eigent zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| geëigend | verleden tijd, deelwoord |
| zal me eigenen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich eigenen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je eigenen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich eigenend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geëigend hebben | verleden tijd |
| zullen je eigenen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons eigenen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich eigenen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u eigenen | tweede persoon |
| zult u eigenen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u eigenen | tweede persoon |
| zult zich/u eigenen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van eigen met het achtervoegsel -en (of van het Duitse 'sich eignen')
Woordfamilie van eigenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eigende | verleden tijd | eigenen |
| eigenden | woordvorm | eigenen |
| eigenend | woordvorm | eigenen |
| eigenende | woordvorm | eigenen |
| eigent | woordvorm | eigenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eigenen zijn vastgelegd.