eigendom
zelfstandig naamwoord /'ʔɛɪɣəndɔm/Betekenis
- het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iemand toebehoort
- zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
Hoe spreek je eigendom uit?
/ˈɛixəndɔm/
Eigendom bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| d | dak |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eigendommen | meervoud |
| eigendommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| eigendommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘wat men zijn eigen mag noemen’ voor het eerst aangetroffen in 1268
Woordfamilie van eigendom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eigendommen | meervoud | eigendom |
| eigendommetje | verkleinwoord | eigendom |
| eigendommetjes | verkleinwoord meervoud | eigendom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eigendom zijn vastgelegd.