dok
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- onderdeel van een klavecimbelmechaniek waarmee een snaar in trilling wordt gebracht door deze met een plectrum (kiel) opzij te duwen en dan te laten schieten
- voor buitenwater afsluitbaar gedeelte van een scheepswerf of een drijvende (ponton-)constructie waarmee, door het in- of uitlaten van water, schepen voor inspectie, onderhoud en reparatie kunnen worden drooggezet
- een haven in een havencomplex waar schepen kunnen worden afgemeerd, wachten, geladen of gelost
- terwijl
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dokjes | verkleinwoord, meervoud |
| dokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
- gebiedende wijs van dokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
Vervoeging van dok
dokhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘inrichting voor scheepsreparaties’ voor het eerst aangetroffen in 1525
Woordfamilie van dok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dokje | verkleinwoord | dok |
| dokjes | verkleinwoord meervoud | dok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dok zijn vastgelegd.