terminal
zelfstandig naamwoord ˈtʏrmɪnəlBetekenis
- een apparaat waarmee een computer op afstand interactief te bedienen is
- de ruimte op een vliegveld of in een haven waar passagiers aankomen en vertrekken
- contactpunt
- terminus, eindstation, eindhalte
- eindpunt
- laatste, eind, slot
Hoe spreek je terminal uit?
/ˈtʏrmɪnəl/
Terminal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| m | maan |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- distributie- of transportknooppunt, zoals een overslagterrein bij een haven of een overstapknooppunt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| terminals | meervoud |
| terminaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| terminaltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘eindstation’ voor het eerst aangetroffen in 1973
Woordfamilie van terminal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| terminals | meervoud | terminal |
| terminaltje | verkleinwoord | terminal |
| terminaltjes | verkleinwoord meervoud | terminal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terminal zijn vastgelegd.