cataract
zelfstandig naamwoord kata'rɑktBetekenis
- grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
- (ook ): een onbevaarbare stroomversnelling in een rivier
Hoe spreek je cataract uit?
/kataˈrɑkt/
Cataract bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- : een onbevaarbare stroomversnelling in een rivier neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cataracten | enkelvoud |
| cataractje | verkleinwoord, tweede persoon |
| cataractjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘staar’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van cataract
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cataracten | enkelvoud | cataract |
| cataractje | verkleinwoord, 2e persoon | cataract |
| cataractjes | verkleinwoord | cataract |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cataract zijn vastgelegd.