markies
zelfstandig naamwoord mɑrˈkisBetekenis
- adellijke titel
- heer van een markizaat
- luifel die beschermt tegen de zon
Hoe spreek je markies uit?
/mɑrˈkis/
Markies bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zonnescherm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1649
Woordfamilie van markies
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| markiesje | woordvorm | markies |
| markiesjes | meervoud | markies |
| markiezen | meervoud | markies |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van markies zijn vastgelegd.