ben
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɛnBetekenis
- hoge gevlochten mand, vaak gebruikt voor het bewaren van vis of vruchten
- zoon
- van zijn
- van zijn na inversie
- gebed
- verzoek
- wonde
- been
- bot
- wel
- vrouw
- ik
Hoe spreek je ben uit?
/bɛn/
Ben bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bennen | enkelvoud |
| bennetje | verkleinwoord |
| bennetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (benee) | enkelvoud |
| baniem | enkelvoud |
| been |
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zijn
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zijn na inversie
Vervoeging van ben
benhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tenen mand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1430
Woordfamilie van ben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baniem | enkelvoud | ben |
| bennen | enkelvoud | ben |
| bennetje | verkleinwoord | ben |
| bennetjes | verkleinwoord | ben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ben zijn vastgelegd.