ten
voorzetsel tɛnBetekenis
- samentrekking van te + den (enkelvoud w:datief|datief mannelijk en onzijdig), komt voor in staande uitdrukkingen
- tien; '10', het getal tussen negen en elf
- tien
- die; wijst iets of iemand aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
- die; ter aankondiging van een bepaling
Hoe spreek je ten uit?
/tɛn/
Ten bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
voorzetsel
- samentrekking van te + den (enkelvoud datief mannelijk en onzijdig), komt voor in staande uitdrukkingen
Herkomst
In de betekenis van ‘voorzetsel + lidwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236