bef
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈbɛf/Betekenis
- een kanten lapje dat in vroeger eeuwen algemeen op de borst gedragen werd, maar nu beperkt tot bepaalde beroepsgroepen, o.m. advokaten en dominees (van bepaalde protestantse stromingen).
- vrouwelijk geslachtsdeel
Hoe spreek je bef uit?
/ˈbɛf/
Bef bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beffen | meervoud |
| befje | verkleinwoord, enkelvoud |
| befjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beffen
- gebiedende wijs van beffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beffen
Vervoeging van bef
befhele werkwoord
Herkomst
[1] Uit Middelnederlands beffe “muts”, vroeg-Nieuwnederlands beffe “halskraag, -band”. In de betekenis van “choorhoet” (‘witte doek voor de borst’) voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 bij Kiliaan). ::Leenwoord uit het Oudfrans biffe “gestreepte stof’, of uit Middeleeuws Latijn biffa “mantel”.
Woordfamilie van bef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| befje | verkleinwoord | bef |
| befjes | verkleinwoord meervoud | bef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bef zijn vastgelegd.